Overslaan en naar de inhoud gaan

Schrijf je in voor de PBB nieuwsbrief

* indicates required

Wij sturen je alleen een email om te beantwoorden of een Nieuwsbrief te versturen.

Je kunt je op elk moment afmelden door te klikken op de link in de voettekst van onze e-mails. Voor informatie over ons privacybeleid, bezoek onze website.

We use Mailchimp as our marketing platform. By clicking below to subscribe, you acknowledge that your information will be transferred to Mailchimp for processing. Learn more about Mailchimp's privacy practices here.

Kijk recht voor je uit!

De wezens die Ezechiël zag in zijn roepingsvisioen hadden alle vier dezelfde belangrijke eigenschap: “Zij keerden zich niet om als zij gingen; zij gingen ieder recht voor zich uit” (Ezech. 1:9). Buiten het feit dat zij zich niet omkeerden, gingen zij waarheen de Geest wilde gaan: “En zij gingen ieder recht voor zich uit; waarheen de geest wilde gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om als zij gingen” (Ezech. 1:12). Dat bevestigt dat de wil van de Heilige Geest was dat ze recht voor zich uitkeken, zonder zich om te keren om dingen uit het verleden weer op te zoeken.

Ook de raderen, aan de voorzijde van de vier wezens, vertoonden deze eigenschap: “Als zij gingen, konden zij naar alle vier zijden gaan; zij keerden zich niet om als zij gingen” (Ezech. 1:17). Daarna lezen we nog een belangrijke omschrijving van de raderen: Hun velgen waren hoog en ontzagwekkend; en bij alle vier waren deze velgen rondom vol ogen” (Ezech. 1:18).  Hoewel zij naar de vier windstreken konden gaan, keerden zij zich niet om, maar gingen recht voor zich uit (Ezech. 10:11, 22b), precies zoals gezegd werd over de vier wezens. Wat ons een tip geeft bij de interpretatie van de raderen, is dat hun velgen vol ogen waren. Om zijn roeping als profeet te kunnen vervullen, had Ezechiël gezalfde ogen nodig, om te zien wat anderen niet zagen. Vanwege hun capaciteit om verder te kijken dan de stoffelijke dingen, werden de profeten vroeger ‘zieners’ genoemd:  “Vroeger zeide men in Israël, wanneer men God ging raadplegen: Komt, laten wij naar de ziener gaan. Want de profeet van tegenwoordig werd vroeger ziener genoemd” (1 Sam. 9:9).

De oorzaak van het geestelijke verval van Israël was het ontbreken van profeten, wiens ogen door de Heilige Geest gezalfd waren. En als God profeten stuurde, waren zij weerspannig. Het gevolg was tragisch, want: “Als er geen visioen is, raakt een volk losgeslagen” (Spreuk. 29:18a – HSV). Zonder profetische ogen, richtte het volk zich alleen op de tijdelijke en vergankelijke dingen, en verloor zijn messiaanse bestemming. Het achterom kijken is de oorzaak dat mensen Gods einddoel voor hun leven missen. Dan dwalen ze rond in hun fantasiewereld, in de hoop dat alles weer zal zijn zoals het vroeger was. Alsof dat geestelijk een vooruitgang zou betekenen. Heimwee naar het verleden heeft een naam in de Bijbel: ‘Gebrek aan Wijsheid’: “Zeg niet: Hoe komt het, dat de vroegere tijden beter waren dan deze? Want niet uit wijsheid zoudt gij aldus vragen” (Spreuk. 7:10). Wat duidelijk blijkt uit de roepingsvisioenen van Ezechiël, is dat God profeten stuurt die nooit achteruit kijken. Dat zou een grote geestelijke stagnatie veroorzaken. In feite is dit de verwerping van de heerschappij van de Heilige Geest, die Zich altijd focust op het doel waarvoor God ons geschapen heeft. Vanwege deze verblindheid was Israël in een diepe slaap gevallen: “Want de HERE heeft een geest van diepe slaap over u uitgestort en Hij heeft uw ogen, de profeten, toegesloten en uw hoofden, de zieners, omhuld” (Jes. 29:10).

Een profetisch volk doet nooit een stap achteruit. Integendeel! Ze zien altijd – met onuitsprekelijke vreugde – voor zich uit naar het einddoel van hun geloof: Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde,daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen” (1 Petr. 1:8-9). Door de Geest van Christus die in hen doelde, hebben de profeten naar deze zaligheid ‘gezocht’, ‘gevorsd’ en ‘nagespeurd’: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben,terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna.Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan” (1 Petr. 1:10-12).

In het nieuwe verbond gaat het niet om dingen die in het Oude Testament onbekend waren. God sprak zelfs door middel van gebeurtenissen, met een diepere betekenis dan alleen maar geschiedkundige hoogtepunten. Hoewel de doortocht door de Schelfzee en de vernietiging van Farao’s leger belangrijke nationale mijlpalen waren, beschouwden de profeten het als een ‘uitgedoofde vlaspit’. Dat was eenmaal een belangrijk moment, maar daar kan je de rest van je bestaan niet op teren. Het ging om de geestelijke betekenis van deze gebeurtenis, die een profetisch schaduwbeeld is van de nieuwe dingen die de Schepper beloofd heeft en waar we acht op moeten slaan: Ik de HERE, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning. Zo zegt de HERE, die door de zee een weg baant en een pad door machtige wateren;die wagen en paard doet uittrekken, krijgsmacht en helden; tezamen liggen zij neder, zij staan niet weer op, zij zijn uitgeblust, als een vlaspit uitgedoofd:Denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied;zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan? Ja, Ik zal een weg in de woestijn maken, rivieren in de wildernis” (Jes. 43:15-19).

Het eerste verbond is verouderd en afgedankt; het komt nooit meer terug.  Niet omdat het onbelangrijk was, maar omdat het nooit zondaren veranderd heeft in een nieuwe schepping: Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede.Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here” (Hebr. 8:7-9). Geschiedenis liegt niet! En het is onhistorisch om nog eens te proberen mensen te redden door ze bij de hand te nemen en te coachen. Ze moeten van binnenuit veranderen door een nieuwe schepping te worden in Christus: “Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken. Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning” (Hebr. 8:10-13).

Het eerste verbond heeft niemand tot volmaaktheid gebracht, want het bestond uit rituele wetten en profetische schaduwbeelden, die eindeloos herhaald moesten worden: “Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken” (Hebr. 10:1). Jezus heeft tijdens Zijn bediening de nieuwtestamentische waarden geïntroduceerd. Tot het volk sprak Hij nog steeds in gelijkenissen, zoals profetisch voorspeld was: “Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen,opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is” (Mat. 13:34-35). Maar bij het onderricht aan Zijn discipelen in de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen, gebruikte Hij geen beeldspraak: “En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven” (Mat. 13:10-11). God spreekt vrijuit tot Zijn discipelen, wiens ogen en oren vernieuwd zijn door de Heilige Geest: “Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen (Mat. 13:16). Jezus voorspelde dat de tijd van de oudtestamentische beeldspraak voorgoed voorbij is: “Dit heb Ik in beelden tot u gesproken; er komt een ure, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader spreken zal. Te dien dage zult gij in mijn naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal,want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weder en ga tot de Vader. Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken.Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.Jezus antwoordde hun: Gelooft gij thans” (Joh. 16:25-32)?

Terugkeren naar het onvolmaakte – alsof we van het tweede verbond weer terug zouden moeten naar het eerste – is een gebrek aan erkenning van het offer van Jezus. Over het nieuwe verbond, dat ook het tweede en eeuwige verbond genoemd wordt, staat geschreven: “Nu echter heeft Hij (Jezus) een zoveel ‘verhevener’ (priester)dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een ‘beter’ verbond, waarvan de rechtskracht op ‘betere’ beloften berust” (Hebr. 8:6). In het oude verbond hadden de mensen geen directe toegang tot God. Daarom  raadpleegde het volk de profeet of de priester, die als middelaars optraden tussen hen en de Heer. En de hoge priester maakte beslissingen door het raadplegen van de Urim e Tummim (Exod. 28:30). De laatste keer dat er op een soortgelijke manier geloot werd, was vóór de uitstorting van de Heilige Geest, toen Mattias werd gekozen als de twaalfde apostel (Hand. 1:26). Maar de tijd is aangebroken dat God geen menselijke middelaars meer gebruikt om tot Zijn kinderen te spreken: “Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon” (Hebr. 1:1). En Jezus is de enige Middelaar tussen ons en God: “Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd” (1 Tim. 2:5-6). Nu God vrijuit tot ons spreekt, zou het een verpaupering betekenen als we terug zouden keren naar de schaduwbeelden, symbolen, offeranden, spijzen, dranken en wassingen, die een zinnebeeld waren van wat we vandaag bezitten: “Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die God daarmede dient, voor zijn besef te volmaken,daar zij met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel” (Hebr. 9:9-10). Daarmee valt de augustiniaanse leer, dat we gered worden door middel van de sacramenten, voorgoed in duigen. We worden niet door God gerechtvaardigd op grond van rituele godsdienstige verplichtingen, maar door ons geloof in Jezus Christus en Zijn offer aan het kruis: “Deze (Jezus) echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God,voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten.Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden. En ook de heilige Geest geeft ons daarvan getuigenis” (Hebr. 10:12-15).

Het is tegenstrijdig dat iemand, die zekerheid heeft dat hij eeuwig leven bezit in Jezus, nog leeft onder invloed van een verleden dat niet meer bestaat. Wie alsmaar achterom kijkt, komt onder de slavernij van uit het stof opgerakelde herinneringen. Maar de Bijbel zegt: “En hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken. Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer nodig” (Hebr. 10:17-18). We hoeven geen boete te doen voor zonden die vergeven en betaald zijn. En onze zaligheid, dat het einddoel is van ons geloof, vult ons hart met onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde (1 Petr. 1:8). Wat nodig is om vrij te zijn van traumatische herinneringen, is de vreugde om God persoonlijk te kennen: “Gij maakt mij het pad des levens bekend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig” (Psalm. 16:11). De bevrijding van matheid en verslapping is geen product van oppeppen, of van positieve omstandigheden, maar van ogen die alleen gericht zijn op Jezus: “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods.Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt” (Hebr. 12:2-3).

Blijf recht vooruit kijken en vestig je aandacht alleen op Jezus! Hij is zowel de Leidsman als de Voleinder van het geloof dat ons tot het einddoel leidt.


Laatste berichten: