De basis van gemeenschap
“En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de
zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God
met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God
bad” (Hand. 10:1-2). Men zou kunnen afvragen: ‘Als zo’n man niet naar de
hemel gaat, wie dan wel?’ Maar de engel zei dat hij Petrus moest halen om het
evangelie te verkondigen, tot behoud van hem en zijn huisgenoten: “Deze zal
woorden tot u spreken, waardoor gij en uw gehele huis behouden zult worden”
(Hand. 11:13-14). Niemand wordt gered door alleen maar eerbiedig en
godsdienstig te zijn, noch door het geven van aalmoezen en het doen van
allerlei goede werken. Zondaren worden alleen behouden door de prediking.
Want het heeft God behaagd om hen die geloven te redden door de boodschap
van het evangelie (Rom. 1:16; 1 Kor. 1:21).
Lukas heeft Petrus’ woorden geregistreerd. Zodoende hebben we een
voorbeeld van een apostolische prediking waardoor zondaren gered werden.
Petrus benadrukte de volgende waarheden: (1) Er is bij God geen aanziens des
persoons; (2) Vrede met God komt tot stand door de verkondiging van Jezus
Christus; (3) Jezus is aller Heer; (4) Jezus is Gods Gezalfde om hen, die door
de duivel overweldigd zijn, te verlossen; (5) God was met Jezus; (6) Ze hebben
Hem aan het kruis gehangen; (7) Maar op de derde dag is Hij opgestaan uit de
doden; (8) Onze opdracht is om Jezus te verkondigen als Rechter van levenden
en doden; (9) Alle profeten getuigen van Jezus, en; (10) Ieder die in Hem
gelooft, ontvangt vergeving van zonden (Hand. 10:34-43).
Er werd geen oproep voor bekering gedaan, maar: “Terwijl Petrus deze
woorden nog sprak, viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden”
(Hand. 10:44). Mensen worden niet gered door, zoals Cornelius, een hoop
goede dingen te doen, maar alleen door Jezus aan te nemen als Heer en
Zaligmaker. We worden verlost door het geloof in Zijn plaatsvervangende dood
en door vergeving van zonde ontvangen door Zijn bloed. We zijn alleen
kinderen van God als we uit Hem geboren zijn: “Doch allen, die Hem
aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te
worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des
vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn” (Joh. 1:12-13).
Mogelijk komen we voor de vraag te staan met wie we wel of niet gemeenschap
mogen hebben. Welnu, de wedergeboorte is niet alleen de basis voor
gemeenschap met God, maar ook met Zijn kinderen. De Heer zei in verband
met Cornelius: “Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig
houden” (Hand. 10:15). Onze broeders en zusters zijn degenen die uit God
geboren zijn: “Ieder, die gelooft, dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en
ieder, die Hèm liefheeft, die deed geboren worden, heeft ook degene lief, die uit
Hem geboren is” (1 Joh. 5:1). Daarbij is het karakter van de wedergeborenen
doorslaggevend. Er zijn zes kenmerken waaraan we ze herkennen: Wie uit God
geboren is doet rechtvaardigheid; leeft niet in zonde; heeft zijn naaste lief;
gelooft dat Jezus de Christus is; overwint de wereld en leeft niet onder de
heerschappij van de boze (1 Joh. 2:29, 3:9, 4:7, 5:1, 4, 18).